In de categorie 3 Beeldmateriaal bevinden zich

 

De Barones 80 jaar kijk je hier

Bij de jachtwet van 1815 werd bepaald dat jachtgebieden duidelijk aangegeven moesten worden. Daardoor zijn er vanaf die tijd zeer veel jachtpalen geplaatst om in onze streek bijvoorbeeld de jachtgebieden van Twickel en Weldam aan te geven. Er hebben meer dan 100 palen gestaan, waarbij een aantal in 1878 geplaatst zijn met de inscriptie: 1878 Twickel. Deze palen zijn geplaatst nadat het landgoed Weldam van Twickel werd afgescheiden. In 1923 maakte een nieuwe jachtwet deze manier van het aangeven van grenzen overbodig. Veel jachtpalen bleven staan maar meer verdwenen er. Nu staan er nog 29, met dien verstande dat sommige palen door verandering van wegen niet meer op hun oorspronkelijke plaats staan maar wel in de buurt. Er zijn de laatste jaren door de stichting Twickel ook een aantal gebroken palen hersteld en van een nieuw onderstuk voorzien. Die delen zijn evenals de  oorspronkelijke paal gemaakt van Bentheimer zandsteen. Van het genoemde aantal van 29 staan er zeven buiten de gemeente Hof van Twente, drie bevinden zich in de oude gemeente Stad Delden, de overige negentien in Ambt. Daarvan staat er één bij de jachtschuur aan het Bornsevoetpad, maar op een plek waar er vanouds geen stond.

Aan de overzijde van het Twentekanaal ligt op een verstilde plek in het bos de Joodse begraafplaats met tegen de veertig graven. De grond was in de 19e eeuw beschikbaar gesteld door de baron van Twickel en in 1875 gereed als begraafplaats. Er zijn enige bijzonder mooie grafstenen met uitgebreide opschrift en, die voor de doorsnee bezoeker gedeeltelijk of helemaal niet te lezen zijn vanwege de Hebreeuwse tekst. De oudste steen is die van Elizabeth de Leeuw – Samüels (1802-1879) en het Nederlandse opschrift aan de voorzijde van de steen met zijn dakvormige top luidt: Hier rust / het stoffelijk overschot /van / Mj. de Wed. de Leeuw / Geb. Samüels. / Geboren te Rijssen / 6 Augustus 5562 / Overleden te Delden. /11 December. 5640. / De Hebreeuwse tekst op achterzijde steen: P N / Haar huis werd gesteund door haar gratie en medeleven / Haar handen hebben nooit rust gezocht /  Voor haar kinderen was zij vader en moeder / een goede vrouw…. (tekst uit Spreuken) / Haar naam is Bele de dochter van Abraham / de vrouw van Jozef de Leeuw / en de naam van haar moeder is Riska / Ze was geboren op 8 Av 5562 en ze ging / naar haar eeuwigheid op woensdag 2 Tevet 640 / TNSBH

In het zuiderkoor treft men een dubbele deur aan die toegang geeft tot de Oude Blasius. Dit is de deur waardoor de bewoners van kasteel Twickel naar binnen gingen. Na de restauratie van de kerk tussen 1965 en 1968 werd deze deur alleen nog door de barones van Twickel gebruikt. Boven de deur is een “eerste steen” aangebracht waarvan de inscriptie luidt:

INT JAER ONS HERE MCCCC en LXIII UN EYN DOE WAERRT THO DESSER KERCKE GHELECHT DE EERST STEEN

De steen geeft aan dat met de bouw van dit deel van de kerk in 1464 is gestart. De tekst kan alleen betrekking hebben op het zuiderschip omdat een groot deel van de kerk er toen al stond.

Bijna zestig jaar geleden bood de burgerij van Stad en Ambt Delden aan de barones van Twickel een zwerfkei aan. De vijftien ton wegende steen kreeg
een plek aan de Twickelerlaan, tegenover het kasteel. Aanleiding was de tachtigste geboortedag van de vrouwe van Twickel, douairière M.A.M.A. baronesse van Heeckeren van Wassenaer geboren gravin van Aldenburg Bentinck. Op 16 september 1959 luidden ’s morgens de Deldense kerkklokken haar verjaardag in. Even later zongen de samengedromde schoolkinderen op het kasteelplein de barones uit volle borst toe. Het huldigingscomité vanuit de burgerij van Stad en Ambt Delden, met als voorzitter mr. dr. J.W. Schneider, bood ’s middags als geschenk een eeuwenoude zwerfkei uit de bossen van Twickel aan met daarin gebeiteld de waarschuwende woorden:

VERSTA UW HISTORIE,
BEWAAR UWE GLORIE.
DELDEN ONTWIKKEL,
LAAT TWICKEL TWICKEL.

Zestig jaar later is deze tekst in het licht van alle hedendaagse bedreigingen van het landgoed zoals stadsuitbreiding, wegenaanleg en industrieterreinen
actueler dan ooit. De boodschap heeft niets aan kracht ingeboet.

Op de Algemene Begraafplaats van Delden ligt aan de westelijke kant van de ingang een aantal oude graven. Er zijn enkele bijzondere bij door hun vormgeving of hekwerk. Zo vinden we een redelijk eenvoudig, maar toch mooi grafmonument van Bernhard Heinrich Cramer, de in 1828 in Gehrde (40 km. ten noorden van Osnabrück) geboren musicus. Zijn vader was koster en organist. In Delden is hij organist van de Oude Blasius geworden. Daarnaast was hij muziekleraar. Zijn woonhuis lag aan de Markt in Delden en was tot 2017 lange tijd de praktijk van dokter Dijkstra. Hij trouwde in Delden twee maal en werd vader van 10 kinderen. Op 61-jarige leeft ijd overleed hij in 1889. Het grafmonument heeft op het basement een tak met bladeren en in het fronton aan de bovenzijde een lier, zoals we die ook zien boven op het door hem altijd bespeelde Naberorgel in de Oude Blasius. Als sluitstuk heeft het grafmonument een vaas waarover een doek gedrapeerd is.

Op deze foto is de ‘niendeur’ van De Kafhook aan de Vossenbrink te zien. Hier woonde oorspronkelijk de familie Vos. De kadastrale kaart van 1832 vermeldt dan ook Vosbrink, later verbasterd tot Vossenbrink. Daarna hebben ook de families Nijland, Jacobs en Schüphaus de boerderij bewoond. Op dit moment wordt het pand bewoond door de familie Bakhuis. De wijze waarop de Romeinse cijfers boven de niendeur staan, wekt wellicht op het eerst gezicht enige bevreemding. Het jaartal is namelijk anders dan gebruikelijk genoteerd. Gewoonlijk werd de letter M gebruikt voor de 1000 en D voor 500 maar hier staat CIƆ voor 1000, CI voor 500, CC voor 200 en L IIII voor 54. De boerderij stamt uit 1754. Gebeiteld in de toog boven de niendeur treffen  we de intrigerende Bijbeltekst aan:

“TOT HIERTOE HEEFT ONS DE HEERE GEHOLPEN”

Het betreft een tekst die werd uitgesproken door Samuël. Hij was een profeet uit de tijd van koning Saul. In 1 Samuël 7 wordt beschreven hoe de  Israëlieten een overwinning behaalden op de Filistijnen. Vervolgens staat er in vers 12: Na afloop plaatste Samuel tussen Mispa en Sen een steen en noemde die Eben-Haëzer. “Want,” verklaarde hij, “tot hier toe heeft de HEER ons geholpen.” (Nieuwe Bijbelvertaling) In 1905 heeft een brand een deel van de originele bebouwing van de Vossenbrink in de as gelegd waarbij veel historie verloren is gegaan. Gelukkig is dit pand met zijn markante opschrift behouden gebleven.

De gezaghebbende Duitse landschapsarchitect Carl Edouard Adolph Petzold werkte tussen 1885 en 1891 op Twickel. Hij ontwierp belangrijke  parkonderdelen, zoals het landschapspark tegenover het kasteel, de Umfassungsweg, de landschappelijke aanleg in de Azelermeen en de Nieuwe Weg tussen het kasteel en het spoorwegstation. Hij overleed in 1891. Ter nagedachtenis aan Petzold is in het overpark, langs het pad dat de wandelaar naar Carelshaven voert, een ge denk steen geplaatst, waarvan de tekst luidt:

Zur Erinnerung. Die Landschafts-Gartenkunst ist ein Malen in der Natur; Das Werkzeug des Schaffens ist der Spaten; Dasjenige des Erhaltens und der Fortbildung die Axt; Sie ist die Eiserne Zeichenstift des Landschaftsgärtners”.

Petzold schreef de tekst ooit in het gastenboek van Twickel. Hij benadrukt hiermee dat een landschap weliswaar tot stand komt door de aanplant van bomen en struiken met de schop, maar dat het voortbestaan afhankelijk is van uitdunning met de bijl.

Het duivelsrooster in Delden is een ijzeren rooster. Het had oorspronkelijk ten doel te voorkomen dat loslopend vee (met name varkens) op het kerkhof kwam. Varkens wroeten, op zoek naar iets eetbaars, graag in de grond en dat vond men begrijpelijkerwijze op kerkhoven minder wenselijk. Als zo’n nieuwsgierige omnivoor toch het kerkhof wilde betreden, zakte hij met zijn poten door het rooster en kwam daarin vast te zitten. Deze roosters kwamen in ons land vanaf de middeleeuwen bijna bij alle kerkhoven voor. Het begraven in en om kerken was in vroeger eeuwen algemeen gebruikelijk en het houden van vee in wat wij nu de bebouwde kom noemen was normaal. Gewoonlijk scharrelden de varkens tussen de huizen door hun kostje bij elkaar.  De roosters werden, gelet op hun doel en functie, ook wel varkensroosters genoemd maar de benaming “duivelsroosters” was veel meer in zwang. Geloof en bijgeloof speelden in het leven van de mensen in de middeleeuwen en nog lang daarna een veel grotere rol dan vandaag en daarin is ook de verklaring van de naam “duivelsrooster” te zoeken. In het volksgeloof liep de duivel op bokkenpoten en men meende dat hij soms de doden van het kerkhof wilde weghalen om hen naar de hel te voeren. Het rooster voorkwam dit kwalijke bedrijf omdat de satan met zijn bokkenpoten tussen de spijlen van het rooster vast kwam te zitten! Vandaar de naam “duivelsrooster”. Aldus werd in de gedachten-wereld van de middeleeuwse mens het nuttige (weghouden van varkens) en het aangename (het weerstreven van de duivel) met elkaar verenigd. In 1829 verbood de overheid het begraven in en om kerken en werden overal begraafplaatsen aangelegd aan de rand van de bebouwing en aan het vrije rondscharrelen van varkens tussen de huizen door kwam een eind. Doel en functie van de roosters verdwenen en daarmee verdwenen ook de roosters zelf bijna overal. Het bijzondere van het  duivelsrooster in Delden is nu juist dat dit rooster nagenoeg het enige is in zijn soort in heel Nederland en in elk geval in Overijssel.

Te zien is het logement ‘In den Drost van Twente’, in de volksmond ook wel ‘het Witte Paard’ genoemd, de naam die het tegenwoordig draagt. Er staat inderdaad een wit paard op het gebouw. Een paard met ruiter op zijn rug. Het is de postiljon (koerier of postrijder) van Longjumeau, een plaatsje in de buurt van Parijs, waar volgens het libretto zich de geschiedenis zou hebben afgespeeld, die in de opera “De Postiljon van Longjumeau” door A.C. Adam bezongen wordt. De toenmalige heer van Twickel, baron Carel van Heeckeren, had in Frankrijk deze opera gezien. Hij was er zo van onder de indruk, dat hij de postiljon op de staldeuren van de oude herberg liet af beelden. Door wie is niet meer bekend. Wel weten we, dat de kunstschilder Gerard C. Krol uit Enschede in 1932 de schildering gerestaureerd heeft. Inmiddels waren de kleuren van het rode lint om de hoge hoed, van de blauw met wit afgezette rok, van het postiljonschildje op de linkerarm weer vervaagd, maar eind 1989 vond een nieuwe restauratie plaats. En zo draaft de schimmel ruiter, fier het rijzweepje in de hand en de koperen posthoorn aan een band om de hals na ruim een eeuw nog altijd in de richting van Hengelo.