Wie het Deldense station betreedt ziet onder de oude overkapping de handelinrichting, waarmee vroeger wissels en seinen bediend werden. Ze zijn al vanaf 1969 niet meer in gebruik maar vormen met de oude waterpomp een prachtig ensemble naast het ruim 150 jaar oude stationsgebouw. Het is  bijzonder dat dit alles in stand gebleven is na de modernisering van stations en de automatisering van het spoorwezen. Vanaf 1876 zijn dergelijke handels  in gebruik bij de spoorwegen, aanvankelijk een Engelse uitvoering, maar rond 1890 werd de zogenaamde Alkmaarse handelinrichting in ons land geplaatst. De handels draaien in twee in Alkmaar gegoten ijzeren raamwerken, waarvan de vloerplaat inmiddels vernieuwd is. Ook de rest van de inrichting heeft kort geleden een opknapbeurt gekregen. We mogen blij zijn dat deze voormalige aansturing van het Deldense emplacement nog op zijn oude plek te vinden is.

Het kistje, met onder meer de eerste zoutvondst, is door de Stichting Twickel in bruikleen gegeven aan het in het centrum van Delden gevestigde Zoutmuseum. In de jaren 1886/1887 liet Baron van Heeckeren van Wassenaer op het landgoed Twickel boren naar schoon drinkwater. Zijn broer was overleden na het eten van door vuil water verontreinigde oesters. Vandaar dat hij het belang van schoon drinkwater inzag. Hij gaf de Duitse firma F.H. Deseniss & A. Jacobi opdracht tot de boringen. Zij boorden tot wel 562 meter diep. Nooit eerder werd er zo diep geboord in Nederland. Zij vonden geen goed drinkwater, wel zout op een diepte van 486 meter. Op verschillende dieptes werden bodemmonsters genomen. In het kistje bevinden zich monsters uit de lagen rondom de zoutlaag. In het vakje met nummer 77 zit het eerste zout dat ooit uit de Twentse bodem gewonnen werd. Dit zout werd naar schatting zo’n 200 miljoen jaar geleden afgezet in de Deldense bodem: toen was Nederland nog zee.

Een staatsieberline werd vroeger bij zeer formele gelegenheden door voorname families gebruikt. In Nederland beschikken alleen Museum Van Loon, het Koninklijk Staldepartement en Twickel over een dergelijk rijtuig. De Twickeler berline is hoogstwaarschijnlijk rond 1825 gebouwd voor Sophia barones Van Heeckeren van Kell, die in 1808 trouwde met Jacob graaf Van Wassenaer Obdam. Mogelijk schafte Sophia de berline aan toen zij na een reis naar St. Petersburg – in het gevolg van de prins van Oranje (de latere koning Willem II) en zijn gemalin Anna Paulowna in 1825 – tot grootmeesteres van Anna Paulowna werd benoemd. In die functie zal zij zeker door de straten van de hofstad zijn gereden. Na het overlijden van Sophia in 1847 erfde haar broer Willem van Heeckeren van Kell op Ruurlo haar nagelaten bezittingen. Na een lang verblijf op kasteel Ruurlo kwam de koets uiteindelijk in 1962 terecht bij  het Nationaal Rijtuigenmuseum in Leek. Helaas verkeerde de berline in deplorabele staat. Op initiatief van de stichting Twickel is de staatsieberline met ondersteuning van enkele fondsen in 2016 gerestaureerd. Voor zover men nu weet is de Twickeler berline het oudst bewaard gebleven exemplaar.

Nog altijd wordt de Poortersklok twee maal daags geluid, elke middag om 12 uur en elke avond om 9 uur. Het avondluiden was oorspronkelijk bedoeld als waarschuwing dat de stadspoorten, de Goorse en de Woolderpoort, gesloten werden. Wie nog in de veiligheid van de stad wilde overnachten moest snel zijn. In vroegere tijden was het namelijk gevaarlijk om laat op de avond buiten de stad te zijn. De poortersklok diende echter niet alleen als waarschuwing dat de poorten gesloten werden: de rusttijden van de boer en rondom Delden waren nog op dit klokgelui gebaseerd, zoals om 12 uur rust voor het  middageten en om 9 uur ’s avonds de “papklok”, een bord pap dat gegeten werd voor het slapen gaan. In de Tweede Wereldoorlog is deze poortersklok op een haar na ontsnapt aan vordering door de bezetter, om te worden omgesmolten voor militaire doeleinden. De klok heeft een gewicht van 500 kg en een diameter van 92 cm. Het is nu de enige poortersklok die nog in Twente aanwezig is. Ook op het torentje van de Broederenkerk in Zutphen en de op Waagtoren in Alkmaar klinkt weliswaar nog ’s avonds de poortersklok, maar dan niet om negen uur zoals in Delden maar rond tienen.

Het hoekpand Langestraat 29 dateert uit het tweede en derde kwart van de 19e eeuw. Achter de lijstgevel met houten pui gaat een winkelinterieur uit die bouwtijd schuil. Veel Deldenaren hadden tot het begin van de twintigste eeuw naast hun ambacht een klein landbouwbedrijf. Zo ook De Halve Maan, een langgerekt pand met een lijstgevel; in het midden een winkelpui en rechts een inrijpoort. Over de naamgeving bestaat enige onduidelijkheid: volgens de Monumentenlijst heet het pand de Halve Maan terwijl de VVV tekst over de Zon spreekt. Oorspronkelijk bestond het pand uit twee woningen. Het hoofdgebouw werd volgens overlevering rond 1700 bewoond door Jan van Heek, gehuwd met Anna Engels, die er een herberg vestigden, hetgeen ook mocht blijken uit het uithangbord “De Zon”. In 1838 was het pand in gebruik als bakkerij en herberg. In 1853 verbouwde Gerrit Jan Nijland het huis tot  bakkerij en winkel met sociëteitskamer en weefkamer. Toen verdween het bord dat de herberg aanduidde. Na de brand in 1883 is het huis verbouwd tot bakkerij en winkel. Er werd een meel- en graanhandel gevestigd. In 1907 werd aan Arend Jan Nijland vergunning verleend tot het oprichten “ener maalderij en grutterij met aanwending ener elektromotor”. Tot 1965 werd het pand als zodanig ingezet. Het interieur van de maalderij en het interieur van de winkel voor koloniale waren en comestibles alsook de bakkerij zijn tot op heden intact gebleven.

De kruidenierswagen van grutter Landman uit Hengelo was tot ver in de jaren zestig een vertrouwde verschijning in het straatbeeld van Delden. De wagen stamt uit 1924 en werd gebruikt voor het venten met groente en fruit, vlees waren, zuivelproducten, garens, tabakswaren, knopen, lucifers, zeep en wasmiddelen. Op zaterdag trok Wim Land man met zijn wagen naar Delden om daar zijn vaste ronde te doen. Een belangrijk deel van de omzet van bijna elke kruidenierswinkel bestond uit de venterij. Vaste klanten maakten gebruik van een boodschappenboekje. De wagen was niet gemotoriseerd en werd getrokken door een paard. De stalling van paard en wagen bevond zich aan de Dennenbosweg in Hengelo. Na een ongeval in augustus 1972 stopte de  heer Landman met venten. De wagen is gebouwd in 1924.

De houtzaagmolen achter hotel Carelshaven is tegelijk met het graven van de Twickelervaart rond 1771 ontstaan op initiatief van Carel George van Wassenaer Obdam. De slede, waarmee de boomstammen door het zaagraam werden geschoven, en het zaagraam zelf dateren uit die tijd. In de 250 jaar van zijn bestaan veranderde de aandrijving van ruim honderd jaar windkracht via veertig jaar stoom (vanaf 1882) naar ruim vijftig jaar elektriciteit (rond 1920). Na tweehonderd jaar trouwe dienst werd de molen in 1974 gesloten toen ernaast een nieuwe zagerij in gebruik genomen werd. Zestien jaar later werd de oude gelukkig weer in gebruik genomen als museumzagerij en mag het oude zaagraam met zijn 23 zagen een groot aantal belangstellenden voorbij zien komen.