De doopvont van Bentheimer zandsteen stamt uit 1834 en is door de toenmalige heer van Twickel – Carel van Heeckeren – geschonken aan de r.-k. kerk van Delden. De doopvont heeft dus nog gestaan in de in 1786 gebouwde r.-k. kerk, waarvoor in 1873 de huidige r.-k. Blasius in de plaats kwam. In de inventaris van het kerkelijk kunstbezit van de r.-k. Blasius is de doopvont als volgt omschreven: Op een vierkant basement met afgeschuinde hoeken staat een ronde, geprofileerde voet met ronde stam. Op de stam staat de vont met in het midden het opschrift : “GEGEVEN DOOR DEN HEER VAN TWICKEL AAN DE R.-K. VAN DELDEN 1834”. Aan de bovenzijde bevindt zich een houten rand met gebeeldhouwde druiventrossen en wingerd-ranken. Je zou de schenking kunnen zien als een oecumenische geste avant la lettre in een tijd waarin katholieken en protestanten niet of nauwelijks weet hadden van het begrip oecumene en over het algemeen afwijzend tegenover elkaar stonden.

Van oudsher worden christenen “mensen van de weg” genoemd, mensen die samen op weg zijn naar God. In zekere zin zijn christenen zwervers. Ook de doopvont in de Protestantse Blasiuskerk heeft een zwervend bestaan geleid (met een oecumenisch tintje). Het doopbekken dateert van 1785 en heeft oorspronkelijk in de rooms-katholieke schuilkerk van Borne gestaan. Daarna heeft de doopvont dienst gedaan in de r.-k. kerk van Hertme om uiteindelijk als bloembak te belanden in de tuin van de pastoor aldaar. De Delden se predikant van Arkel herkende in de jaren zestig van de vorige eeuw in deze bloembak een oude doopvont en bracht hem naar Delden. Na restauratie is de doopvont in de oude Blasius geplaatst om daar opnieuw dienst te doen voor de toediening van de doop. De zandstenen vont heeft een eiken houten rand waarop een koperen bekken voor het water rust. Daaronder bevinden zich drie versieringsranden en een brede rand met acanthusbladeren. De onderste randen en de voet zijn nieuw. Het is een mooie oude doopvont met een bijzondere historie.

Monstransen zijn onderdeel van het liturgisch vaatwerk in de rooms-katholieke kerk. Het zijn houders, doorgaans gemaakt van edelmetaal, waarin de geconsacreerde hostie wordt getoond. Monstransen werden en worden gebruikt in de r.-k. eredienst en zijn al sinds de 12e eeuw in zwang. De St. Blasius monstrans van verguld zilver, die stamt uit het 1e kwart van de 16e eeuw, is niet alleen kunsthistorisch van bijzondere betekenis maar ook in religieus-historisch opzicht. Het is een mooi voorbeeld van kerkelijke edelsmeedkunst uit de tijd vóór de Reformatie dat in kunsthistorische zin uitvoerig is beschreven in de Nederlandse Monumenten van Geschiedenis en Kunst. De benaming St. Blasiusmonstrans vloeit voort uit de verguld zilveren beeltenis van de heilige in de top van de monstrans. Het religieushistorisch belang blijkt uit de omzwervingen die de monstrans heeft gemaakt. Toen de huidige oude Blasiuskerk in het begin van de 17e eeuw overging naar de Reformatie, heeft de toenmalige r.-k. pastoor Joannes Laarhuis de monstrans weggehaald uit de kerk en verborgen. Later is zij in Deventer ondergebracht bij een katholieke familie om pas weer terug te keren naar Delden in 1786 toen het de katholieken weer vergund was een eigen kerk te bouwen. De omzwerving weerspiegelt de godsdienstige verdeeldheid van de 17e eeuw maar ook de toenemende vrijheid voor de katholieken aan het eind van de 18e eeuw. Het mag toch bijzonder heten dat een en dezelfde monstrans die in de 16e eeuw ter aanbidding is opgeheven in de Oude Blasius van Delden, in de 20e eeuw ter aanbidding is opgeheven in de nieuwe Blasius van Delden.

Kelken zijn onderdeel van het liturgisch vaatwerk in de rooms-katholieke kerk. Zij zijn doorgaans gemaakt van edelmetaal en worden in de Mis gebruikt. Kelken zijn al sinds de eerste eeuwen van het Christendom gebruikelijk in de r.-k. eredienst. De kelken 1 en 2 stammen respectievelijk uit het 1e kwart en het midden van de 16e eeuw en kelk 3 uit het begin van de 17e eeuw. Zij zijn niet alleen kunsthistorisch van bijzondere betekenis maar ook in religieus-historisch opzicht. Het zijn mooie voorbeelden van kerkelijke edelsmeedkunst uit de tijd vóór de Reformatie die in kunst historische zin uitvoerig zijn beschreven in de Nederlandse Monumenten van Geschiedenis en Kunst. Het religieus historisch belang blijkt uit de omzwervingen die de kelken hebben gemaakt. Toen de huidige oude Blasiuskerk in het begin van de 17e eeuw overging naar de Reformatie, heeft de toenmalige r.-k. pastoor Joannes Laarhuis  de kelken weggehaald uit de kerk en verborgen. Later is het vaat werk in Deventer ondergebracht bij een katholieke familie om pas weer terug te keren naar Delden in 1786 toen het de katholieken weer vergund was een eigen kerk te bouwen. De omzwerving weerspiegelt de godsdienstige verdeeldheid van de 17e eeuw maar ook de toenemende vrijheid voor de katholieken aan het eind van de 18e eeuw. Het mag toch bijzonder heten dat dezelfde kelken die in de 16e eeuw werden gebruikt in de Oude Blasius van Delden, in de 20e eeuw nog gebruikt zijn in de nieuwe Blasius van Delden.

Bij de grote restauratie van de Oude Blasius rond 1968 zijn er in het hoofd koor drie gebrandschilderde ramen geplaatst, geschonken door de Koninklijke Nederlandse Zoutindustrie ter gelegenheid van haar 50-jarig bestaan in dat jaar. Barones van Heeckeren van Wassenaer mocht als kerkvoogd kiezen voor een geschenk en dat werden de ramen. Zij zijn ontworpen door Kees Andréa (1914 – 2006) uit Den Haag en in 1969 geplaatst. De Zout industrie, later Akzo, had een speciale band met Twickel omdat bij de eerste boring naar water, die in het kasteelpark in 1886/1887 plaats vond, zout naar boven kwam. Dit leidde jaren later tot het ontstaan van de zoutindustrie in Boekelo, later in Hengelo. In het linker raam, dat de nacht voorstelt, vinden we dit terug als onderschrift bij allerlei vogels en vissen: “Gij zijt het zout der aarde” (Mattheus 15:13). Op het middelste raam zijn afgebeeld Christus, de symbolen voor de vier evangelisten en ook een symbool voor de Blasiuszegen, die op 3 februari tegen keelziekten wordt gegeven. Het rechter raam, de dag, heeft veel planten en dieren en de tekst: “Gij zijt het licht der wereld” (Mattheus 5:14).

De Heilige Blasiuskerk heeft een groot aantal gebrandschilderde ramen, die in heel verschillende periodes gemaakt zijn door ongeveer vijf glazeniers. Henricus Kocken vervaardigde de ramen in de doopkapel in 1923. Het grote raam achter het orgel is van de hand van Otto Mengelberg. De ramen van het  priesterkoor zijn van Heinrich Geuer en Hendrik de Vos. Het middelste raam stelt de Aanbidding van het Sacrament voor. De zijramen van de kerk zijn gemaakt door telgen uit de bekende Roermondse glazenier familie Nicolas. Ze zijn pas in 1991/1992 geplaatst en komen uit het RK ziekenhuis in Zwolle en uit de in 1982 afgebroken neogotische St. Martinuskerk aan het Broerplein in Groningen. Acht van de tien geboden zijn er op afgebeeld.

Het meest markante toegevoegde onderdeel aan het interieur van de kerk is het in 1847 door Carl Friedrich August Naber uit Deventer gebouwde orgel. De orgelkas en het balkon vormen een vermenging van de speelse neo-barokke en de strakke neoclassicistische stijl. Het balkon wordt gedragen door zes houten Toscaanse zuilen, in marmer geschilderd. Het orgel is geschonken door de bewoners van Twickel, Carel van Heeckeren van Wassenaer en zijn vrouw Cornélie. De orgelkas bestaat uit een strakke hoofdvorm van drie vooruitstekende torens met twee velden er tussenin. Het geheel wordt omlijst door speelse plantenornamenten. Op de buitenste torens bevinden zich twee gebeeldhouwde engelen, de linker bazuin blazend, de rechter harpspelend. Op de middelste toren zien wij een harp. Dit orgel geldt als één van de mooiste Naberorgels van ons land. Bij de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed staan ruim 600 orgels geregistreerd, waaraan monumentale waarde wordt toegekend. Van dit aantal blijken er 13 door Naber gebouwd te zijn tussen 1825 en 1870. Meer dan de helft van deze 13 bevindt zich in de provincie Gelderland, slechts één in Overijssel, in Delden.De plaats van de organist is links naast het orgel. De twee manualen en het pedaal zijn evenals de registertrekkers aan de orgelkas vast gebouwd. We spreken dan van claviatuur.