De Overijsselsche Gedenkstukken behelzen rechtshistorische beschouwingen over Overijssels recht en Overijsselse geschiedenis vergezeld van bewijsstukken. Het eerste deel verscheen in 1781 en het achtste en laatste deel verscheen in 1797. De beschouwingen zijn ontstaan uit de rechtspraktijk van Jan Willem Racer als advocaat te Oldenzaal waar hij als zodanig werkzaam was sinds 1765. Het historisch belang thans van de gedenkstukken vloeit rechtstreeks voort uit het grote maatschappelijke gewicht dat destijds al gehecht werd aan de politiek – juridische processen die Racer in de gedenkstukken beschrijft. Die processen, gevoerd voor de Staten van Overijssel, gingen met name over de positie van de kleine Twentse steden die allerlei aan hen toebehorende rechten, in de loop van de jaren ingepikt door de Drost, terug wilden krijgen: o.a. het jachtrecht, het recht om te ijken en het benoemingsrecht inzake stadsfunctionarissen. Voorts blijkt uit de gedenkstukken dat Racer juridische ondersteuning verleende aan de welbekende patriot Joan Derk van der Capellen tot den Pol die de gehate drostendiensten wilde afschaffen en daarin uiteindelijk in 1783 slaagde. De afschaffing vond grote en dankbare weerklank in heel Overijssel met name bij de plattelandsbevolking. In de beide kwesties (de positie van de kleine steden en de drostendiensten) is duidelijk de politieke tendens tot democratisering in Overijssel te zien waarin Racer dus een werkzaam aandeel heeft gehad. Goed gedaan dus van een Deldense jongen! Toch?