Categorie 6: Kleine monumenten

Het duivelsrooster in Delden is een ijzeren rooster. Het had oorspronkelijk ten doel te voorkomen dat loslopend vee (met name varkens) op het kerkhof kwam. Varkens wroeten, op zoek naar iets eetbaars, graag in de grond en dat vond men begrijpelijkerwijze op kerkhoven minder wenselijk. Als zo’n nieuwsgierige omnivoor toch het kerkhof wilde betreden, zakte hij met zijn poten door het rooster en kwam daarin vast te zitten. Deze roosters kwamen in ons land vanaf de middeleeuwen bijna bij alle kerkhoven voor. Het begraven in en om kerken was in vroeger eeuwen algemeen gebruikelijk en het houden van vee in wat wij nu de bebouwde kom noemen was normaal. Gewoonlijk scharrelden de varkens tussen de huizen door hun kostje bij elkaar.  De roosters werden, gelet op hun doel en functie, ook wel varkensroosters genoemd maar de benaming “duivelsroosters” was veel meer in zwang. Geloof en bijgeloof speelden in het leven van de mensen in de middeleeuwen en nog lang daarna een veel grotere rol dan vandaag en daarin is ook de verklaring van de naam “duivelsrooster” te zoeken. In het volksgeloof liep de duivel op bokkenpoten en men meende dat hij soms de doden van het kerkhof wilde weghalen om hen naar de hel te voeren. Het rooster voorkwam dit kwalijke bedrijf omdat de satan met zijn bokkenpoten tussen de spijlen van het rooster vast kwam te zitten! Vandaar de naam “duivelsrooster”. Aldus werd in de gedachten-wereld van de middeleeuwse mens het nuttige (weghouden van varkens) en het aangename (het weerstreven van de duivel) met elkaar verenigd. In 1829 verbood de overheid het begraven in en om kerken en werden overal begraafplaatsen aangelegd aan de rand van de bebouwing en aan het vrije rondscharrelen van varkens tussen de huizen door kwam een eind. Doel en functie van de roosters verdwenen en daarmee verdwenen ook de roosters zelf bijna overal. Het bijzondere van het  duivelsrooster in Delden is nu juist dat dit rooster nagenoeg het enige is in zijn soort in heel Nederland en in elk geval in Overijssel.

Te zien is het logement ‘In den Drost van Twente’, in de volksmond ook wel ‘het Witte Paard’ genoemd, de naam die het tegenwoordig draagt. Er staat inderdaad een wit paard op het gebouw. Een paard met ruiter op zijn rug. Het is de postiljon (koerier of postrijder) van Longjumeau, een plaatsje in de buurt van Parijs, waar volgens het libretto zich de geschiedenis zou hebben afgespeeld, die in de opera “De Postiljon van Longjumeau” door A.C. Adam bezongen wordt. De toenmalige heer van Twickel, baron Carel van Heeckeren, had in Frankrijk deze opera gezien. Hij was er zo van onder de indruk, dat hij de postiljon op de staldeuren van de oude herberg liet af beelden. Door wie is niet meer bekend. Wel weten we, dat de kunstschilder Gerard C. Krol uit Enschede in 1932 de schildering gerestaureerd heeft. Inmiddels waren de kleuren van het rode lint om de hoge hoed, van de blauw met wit afgezette rok, van het postiljonschildje op de linkerarm weer vervaagd, maar eind 1989 vond een nieuwe restauratie plaats. En zo draaft de schimmel ruiter, fier het rijzweepje in de hand en de koperen posthoorn aan een band om de hals na ruim een eeuw nog altijd in de richting van Hengelo.

In 1894 is op de Markt in Delden een herinneringsmonument geplaatst als dank voor de door baron Van Heeckeren aangelegde waterleiding. Het voor die tijd typerende opschrift op een plaquette luidt: “DANKBARE HULDE van het bestuur en de burgers van Stad Delden aan Dr. R.F. BARON VAN  HEECKEREN VAN WASSENAER voor de door hem in de gemeente aangelegde waterleiding nov. 1894” De stadspomp is ook voorzien van een dubbele sierlantaarn. Aan vier zijden zijn wapens van Twickel en Delden bevestigd. Bovendien zijn er bekkens en leeuwenkoppen met spuwers aangebracht. De pomp heeft niet alleen betekenis als herinnering aan de aanleg van de waterleiding en in samenhang daarmee meer hygiëne voor de bewoners van Delden, maar de zoektocht naar water heeft ook geleid tot de vondst van zoutlagen in de Twentse bodem en het ontstaan van de zoutindustrie. Wanneer de Deldense ijsbaan open is hangen er vlaggen aan de stadspomp om dit kenbaar te maken.

In het begin van de 19e eeuw telde Delden zeker 16 tapperijen alwaar een glas geschonken werd (en soms zelfs ook gebrouwen). Zo ook in de Zwarte Arend. Het pand Langestraat 42, gemeentelijk monument, kent naast een cultuur-historisch interessante winkelinrichting uit de 19e eeuw, een bijzonder bovenlicht waarin de zwarte arend is afgebeeld en gietijzeren deurbeslag op de dubbele winkeldeur.

Langs de Twickelerlaan, aan de oostzijde van het park, strekt zich een monumentaal smeedijzeren spijlenhek uit, dat in 1891 door de firma Bayliss, Jones & Bayliss uit Londen werd geleverd. Op twee plaatsen treff en we hogere, rijk versierde toegangshekken aan, bestaande uit beweegbare vleugels  tussen hekpijlers. Op verzoek van landschapsarchitect Petzold werd het hek niet te zwaar uitgevoerd om de doorkijk van het park naar de rest van de buitenplaats niet te verstoren. Het smeedijzeren hek gaat over in een houten palen afrastering rondom het gehele kasteelpark. Het hek is van belang vanwege de  ouderdom en de historische begrenzing van het kasteelpark. Ook vanwege de gaafheid in combinatie met het materiaalgebruik en vanwege de functioneel ruimtelijke relatie met de andere onderdelen van de buitenplaats.

Aan de Bollenweg liggen twee oude erven, beide met een prachtige oude waterput. Het ene is Erve Diekert (ook Dieckert) op Bollenweg 2, het andere  Erve Reeboer, dat er tegenover ligt op nr. 7. De put van de foto staat op het laatste erf en is bij zonder omdat er enige letters en een jaartal in gebeiteld zijn. De eerste letter is een halve, maar als we aannemen dat het een H is, dan staat er HSR EBD 1828. Vermoedelijk staan deze letters voor: Henderik Stokreef, landbouwer, gedoopt: 16 september 1787 Zeldam, overleden 13 december 1863 Zeldam, Ambt Delden en zij vrouw Everdiena Bennink, gedoopt: 4 maart 1792 Deldenerbroek, overleden 16 augustus 1850 Deldenerbroek. Het gaat hier om een al vroeg bewoond gebied, want de veldnaam Meerdam, die hier dichtbij ligt, wordt al in 1315 in oude stukken genoemd.

Een epitaaf is een grafmonument ter nagedachtenis aan een over leden persoon. Het monument ligt niet op het graf, maar staat recht op aan een wand. In de Oude Blasius bevindt zich aan de noordoostmuur van het zuiderzijkoor de epitaaf van Johan van Raesfelt uit 1604. De tekst luidt:

INT IAER ONS HEREN 1604, DEN 24 FEBRUARII, IS DIE EDEL UND EHRNVEST IOHAN VAN RAESVELT TO TWICKLO  GOTSALIGLICK IN CHRISTO ENTSLAPEN DER ZELE GODT GENADICH SI AMEN.

De Epitaaf is voorzien van familiewapens. Boven de inscriptie zijn de familiewapens van Raesvelt en Twickelo afgebeeld. Aan de linkerzijde van de  inscriptie staan de wapens van Raesvelt, Wilich, Homot en Palant. Aan de rechterzijde vinden we de wapens van Twickelo, Stecke, Rvtenbergen en Middachten. Het monument herinnert aan Johan van Raesfelt die in 1562 Twickel erfde van zijn vader, Goossen van Raesfelt. Omdat zijn vader grote schulden had gemaakt verkeerde Johan in geldnood. Plunderingen door Spaanse huursoldaten en het wegvallen van inkomsten uit het Drostambt Twente leidden er toe, dat hij erven en landerijen moest verpanden. Uiteindelijk keerde de situatie zich ten goede.